Back to Sunny Life (回到太陽大地) part 1: Hong Kong
Our journey started one evening in Kaohsiung, where you were born in a hot and humid room on the fourth floor, with red marble tiles for coolness and a soft yellow lime wall.
In the dead of that night, out of sheer relief and excitement, I hammered a homemade stork into the dry clay soil with all my might, so hard that your mother, who had given birth to you only hours earlier, gasped from the balcony: “What the hell are you doing? You’re waking up the whole neighbourhood!” That neighbourhood being the Sunny Life compound, at the time a place for expats and relatively well off Taiwanese. “Someday, when you grow up, we’ll go back…” I said, “back to Sunny Life.”
Twenty-seven years later, we’re on our way, walking together on a Sunday morning in a dimly lit bus station at Hong Kong Central. Tomorrow we'll take the ferry to Lantau Island, where a colossal Buddha made of plaster sits on top of a hill covered in fog, its fake bronze paint so worn and vulnerable that "don't touch" signs are placed all around. In fact, it actually seems more like a giant garden gnome.
On the same island, a man will walk through a turnstile as he exits the metro station and, to both his and our astonishment, will inadvertently shatter the whole turning mechanism in his stride, which will clatter to the floor. The following morning we will hop on a boat to Cheung chau, a small fisher man’s island. In a few days, we'll be awakened by a fire alarm at 3:00 a.m. on the 22nd floor of the South Nest Hotel. Shaken and sleepy, we'll run down the stairs alone—not another hotel guest in sight—to greet an equally sleepy battalion of firefighters in the lobby and take selfies with them. False alarm... "Probably a wiring problem." On the same day, April 3rd, at 7:58 a.m., a 7.4 magnitude earthquake will strike the city of Hualien on Taiwan's east coast. That same day, we'll fly to Taipei and feel the aftershocks in the days that follow.
Terug naar Sunny Life (回到太陽大地)
Onze reis begon op een avond in Kaohsiung, waar je geboren werd in een hete en vochtige kamer op de vierde verdieping, met rode marmeren tegels voor verkoeling en een zachtgele kalkmuur. Midden in de nacht, uit pure opluchting en opwinding, sloeg ik met al mijn kracht een zelfgemaakte ooievaar in de droge kleigrond, zo hard dat je moeder, die je slechts enkele uren eerder ter wereld had gebracht, vanaf het balkon hijgend riep: "Wat ben je in vredesnaam aan het doen? Je maakt de hele buurt wakker!" Die buurt was het Sunny Life-complex, destijds een plek voor expats en relatief welgestelde Taiwanezen. "Ooit, als je groot bent, gaan we terug...", zei ik, "terug naar Sunny Life."
Zevenentwintig jaar later zijn we onderweg, samen lopend op een zondagochtend in een schemerig verlicht busstation op Hong Kong Central. Morgen nemen we de veerboot naar Lantau Island, waar een kolossale Boeddha van gips bovenop een heuvel staat, gehuld in de mist. De nep-bronsverf is zo versleten en kwetsbaar dat er overal bordjes staan met 'niet aanraken'. Eigenlijk lijkt het meer op een enorme tuinkabouter. Op hetzelfde eiland loopt een man bij het verlaten van het metrostation door een draaihek en tot zijn en onze verbazing, verbrijzelt hij het hele draaimechanisme dat met een klap op de grond valt.
De volgende ochtend stappen we op een boot naar Cheung Chau, een klein visserseiland. Over een paar dagen worden we om 3:00 uur 's nachts wakker van een brandalarm op de 22e verdieping van het South Nest Hotel. Geschrokken en slaperig rennen we met z’n tweeën de trap af – geen andere hotelgast te bekennen – om een al even slaperig bataljon brandweermannen in de lobby aan te treffen en selfies met ze te maken. Vals alarm... "Waarschijnlijk een bedradingsprobleem."
Op dezelfde dag, 3 april, om 7:58 uur 's ochtends, zal een aardbeving met een magnitude van 7,4 de stad Hualien aan de oostkust van Taiwan treffen. Diezelfde dag vliegen we naar Taipei en voelen we de naschokken er van in de dagen erna.